De overdracht van familiebedrijven aan de volgende generatie wordt duurder door een wetswijziging van staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën. Het gaat om familievennootschappen die niet in alle gevallen volledig eigenaar zijn van de bedrijven waarin zij ondernemen. In voorkomende gevallen wil de staatssecretaris ondernemersvermogen in deze bedrijven uitsluiten van belastingvrijstelling. Bij schenking of vererving moeten de nieuwe eigenaren daardoor veel meer belasting betalen.

De wetswijziging heeft tot beroering geleid onder fiscalisten. Belangenorganisatie FBNed (Familiebedrijf Nederland) waarschuwt de Tweede Kamer dat geld dat naar belastingen gaat niet langer kan worden gebruikt om te ondernemen. Het wetsvoorstel raakt vooral grotere families en complexere familiebedrijven.

Wiebes presenteert zijn voorstel als reparatiewetgeving wegens een arrest van de Hoge Raad uit april over de zogenoemde Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Die regeling is bedoeld om de continuïteit van familiebedrijven te waarborgen, door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van erf- of schenkbelasting.

De Hoge Raad bepaalde dit voorjaar dat deze kwijtschelding ook moet gelden als eigenaren van familievennootschappen aandelenbelangen schenken of nalaten van minder dan 5% in ondernemingen die verbonden zijn met het familiebedrijf. Wiebes vreest dat dit de deur openzet naar oneigenlijk gebruik van de regeling. Om te voorkomen dat naast bedrijfsvermogen ook beleggingsvermogen wordt vrijgesteld van belasting, heeft hij in de wet opgenomen dat een belang van minder dan 5% in een met het familiebedrijf verbonden onderneming per definitie niet in aanmerking komt voor de BOR.

Volgens fiscalisten is deze beperking te draconisch en bezondigt Wiebes zich aan overkill. Hans Bom en Maarten Merkus van belastingadviesorganisatie Meijburg & Co geven als voorbeeld een familiebedrijf met tien aandeelhouders. Als dit bedrijf voor 49% deelneemt in een joint venture, komt dit belang bij overdracht naar de volgende generatie niet in aanmerking voor de BOR, omdat elke aandeelhouder voor slechts 4,9% eigenaar is van de joint venture. Ondanks het feit dat het hier om ondernemingsvermogen gaat, zal de belastingheffing uitkomen op 40%, aldus de adviseurs, in plaats van 3,4% die zou gelden bij toepassing van de BOR.

De kritiek van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en Register Belastingadviseurs (RB) luidt dat in het wetsvoorstel de etikettering van het geschonken of nagelaten vermogen — ondernemings- of beleggingsvermogen — wordt losgelaten als criterium voor de BOR. Ook signaleren de beroepsverenigingen ongelijkheid van behandeling. Voor belangen van minder dan 5% die behoren tot het ondernemingsvermogen van kleine ondernemers die onder de inkomsten- in plaats van de vennootschapsbelasting vallen, blijft de regeling namelijk wel van toepassing.

De staatssecretaris schrijft in de memorie van toelichting bij zijn wetsvoorstel dat het arrest van de Hoge Raad de schatkist zeker enkele tientallen miljoenen euro’s per jaar gaat kosten. Wiebes acht het niet onwaarschijnlijk dat de budgettaire gevolgen fors hoger uitpakken, mede omdat hij oneigenlijk gebruik van de BOR vreest. Hij stelt met de reparatie van de wet de bestaande praktijk van de Belastingdienst te formaliseren.

Niet alleen belastingadviseurs lopen te hoop tegen het wetsvoorstel. Bijzonder hoogleraar estate planning en universitair docent Nicole Gubbels onderschrijft in het ‘Weekblad fiscaal recht’ van 21 juli op persoonlijke titel de veelheid aan bezwaren tegen het voorstel. Tegelijkertijd toont Gubbels, die tevens bij de Belastingdienst werkt, begrip voor Wiebes. Volgens haar is de BOR zo ruimhartig, dat regelmatig de grenzen van de regeling worden opgezocht. Het doel om echte bedrijfsopvolging te faciliteren dreigt hierdoor steeds meer buiten beeld te raken, aldus Gubbels. Ze bepleit een integrale herziening van de regeling.

Het Financieele Dagblad, www.fd.nl, 17 oktober 2016