Familiebedrijven in Nederland hebben de crisis grotendeels achter zich gelaten. Vooral zij die internationaal actief zijn, hebben het afgelopen jaar zwarte cijfers geschreven.
Dat concludeert Maarten Vijverberg van adviesbureau Clifton Finance in een onderzoek onder ruim 300 familiebedrijven in ons land. „In 2014 werd voor het eerst met de dalende omzet en margetrend gebroken. Die groei lijkt zich ook voort te zetten.” De gemiddelde omzet van de Nederlandse familiebedrijven daalde in 2013 nog met 2,5%, maar in 2014 keerder de trend met een plus 3,1%.
Wat in Vijverbergs onderzoek opvalt, is dat de sectoren die weinig zakendoen over de landsgrenzen achterblijven, of de marges zelfs nog verder zien afkalven. Retail en automotive zijn, naast enkele productiebedrijven, dan ook de slechtste jongetjes van de klas. In totaal is ongeveer twee derde van de familiebedrijven in ons land in meer of mindere mate actief over de grens. De agrarische sector, de voedingsmiddelenindustrie en zelfs de bouw- en installatiesector groeien voor het eerst sinds 2010 weer overtuigend. Eén van de illustraties van die internationalegroei is volgens Vijverbergs onderzoek Koninklijke Boon, de fabrikant van elektronische toegangsdeuren, die hij onder de bouwsector meetelt. Boon zag de omzet in 2014 met 11,82% stijgen en profiteert sterk van een internationale vraag naar zijn producten. Het bedrijf uit Edam opende bovendien in 2015 nieuwe kantoren in Milaan
en Sydney.

Volgens Vijverberg komen familiebedrijven met hun conservatieve karakter (’Het familiekapitaal wordt immers zorgvuldig geïnvesteerd, vaak staat flink wat geld op de bank en is er amper sprake van schulden’) vaak relatief goed door een economische crisis, maar zijn beursgenoteerde bedrijven of bedrijven in handen van investeringsmaatschappijen er vaak eerder bij om te profiteren als economisch herstel zich aandient. „De beurskoersen begonnen half 2012 al aan een opmars. We kunnen echter nu pas stellen, nu de meeste jaarrekeningen over 2014 zijn gedeponeerd, dat het herstel van de Nederlandse economie ook reëel terug te zien is bij de familiebedrijven.”

Familiebedrijven zijn in ons land volgens een definitie van Nyenrode Business Universiteit uit 2010 goed voor 70% van alle bedrijven in Nederland, waarbij het zwaartepunt op het midden- en kleinbedrijf ligt. Nyenrode telde er destijds 260.000, goed voor 4,3 miljoen werknemers en ruim de helft van de totale bedrijfswinsten in ons land. Volgens onderzoek van Elsevier en Bureau Van Dijk uit 2012 en 2013 is de top 100 familiebedrijven goed voor €131 miljard omzet.

Vijverberg hanteert als criteria dat er minimaal sprake moet zijn van een tweede generatie, die dominant is qua zeggenschap binnen het bedrijf. Nu de economische crisis achter de rug is, keert een ander vraagstuk terug op de agenda: Van de ondervraagde bestuursvoorzitters of directeur-grootaandeelhouders van Nederlandse familiebedrijven denkt 46% het stokje voor het jaar 2020 over te willen dragen. Van hen denkt 58% de opvolger binnen de familie te kunnen vinden. De rest kan zich troosten – als ze geen koper voor hun bedrijf kunnen vinden binnen de branche – met een toenemende belangstelling van private equity investeerders voor familiebedrijven, weet Vijverberg.

Het best presterende familiebedrijf over 2014 was volgens Clifton Finance baggerbedrijf Van Oord, met een omzetstijging van 28,2% mede dankzij de order voor het tweede Suezkanaal. Andere bekende familiebedrijven zijn Heineken, SHV, BCD Travel, Pon, maar ook het gefailleerde Oad.

De Financiële Telegraaf, www.dft.nl, 3 november 2015