Familiebedrijven hebben niet altijd het beste imago gehad. Zo werden ze vaak geassocieerd met stoffige, kleine en onprofessionele ondernemingen. Tegenwoordig worden familiebedrijven eerder gezien als innovatief, betrokken en betrouwbaar. Dat blijkt uit onderzoek van Baker Tilly Berk, ING en Nyenrode Business Universiteit. Wat maakt nu zo’n imago, en hoe kunnen familiebedrijven ervan gebruikmaken?

“De 21e eeuw wordt de eeuw van het familiebedrijf”, stelde Bavaria-topman en voorzitter van FBNed Peter Swinkels al eerder. Dat klinkt wellicht als een open deur. Zeker gezien het feit dat familiebedrijven in ons land zorgen voor ongeveer de helft van alle banen en verantwoordelijk zijn voor bijna 53 procent van het BNP. Maar het imago van deze bedrijven was eind twintigste eeuw niet al te best. Pas sinds de eeuwwisseling worden familiebedrijven meer op waarde geschat.

Hoewel Swinkels vroeg was met zijn uitspraak, is de kans groot dat hij gelijk krijgt. In de eerste vijftien jaar van deze eeuw is de waardering voor het familiebedrijf namelijk sterk toegenomen, zo blijkt uit onderzoek van Baker Tilly Berk, ING en Nyenrode. Bij het onderzoek werd gebruik gemaakt van ruim veertig interviews en vierhonderd vragenlijsten, ingevuld door directeuren van zowel familiebedrijven als niet-familiebedrijven.

Respondenten stellen dat familiebedrijven meer gerespecteerd, bekend, bewonderenswaardig en prestigieus zijn dan niet-familiebedrijven. Verder kijken familiebedrijven verder dan hun neus lang is en kijken ze meer vooruit dan niet-familiebedrijven. Daardoor zijn familiebedrijven meer aantrekkelijkere werkgevers. De band tussen personeel en de directie is bovendien beter. Het is daarom niet vreemd dat personeel vaker langer in dienst blijft (89 procent) bij familiebedrijven dan bij niet-familiebedrijven (78 procent).

Hoe kan het dan dat het imago voorheen zo negatief was? In het begin van de jaren negentig heeft de wetenschap het familiebedrijf als onderzoeksgebied ‘ontdekt’. Daarvoor werd door de toenmalig deskundigen gesteld dat het beter zou zijn voor de economie als familie-ondernemers zo snel mogelijk zouden worden vervangen door professionele bestuurders. Recent afgestudeerde bedrijfskundigen wilden liever bij grote multinationals werken, dan bij ‘oubollige familiebedrijven’. De CEO’s van deze beursgenoteerde organisaties werden op handen gedragen en beloofden steeds hogere rendementen.

Waarschijnlijk heeft de nieuwe stroom aan onderzoeken naar familiebedrijven in de jaren negentig zeker een steentje bijgedragen aan de positievere beeldvorming van het familiebedrijf. Nog waarschijnlijker is dat andere, negatieve gebeurtenissen de beeldvorming over het familiebedrijf substantieel veranderden de laatste vijftien jaar. En dan in deze periode is vooral het imago van de ‘tegenstander’, de multinational, verslechterd. Hoogvliegers bij de multinationals braken hun beloften. Beursschandalen zoals die van ENRON, WorldCom en Ahold toonden aan dat betrouwbaarheid van bestuurders niet als vanzelfsprekend kon worden beschouwd.

Al snel werd duidelijk dat het kortetermijndenken, het gaan voor de quick wins, niet zorgde voor een duurzame basis voor de economie. Bovendien raakten multinationals met alle schandalen hun betrouwbaarheid kwijt. En daar, als rots in de branding, waren de familiebedrijven, met hun langetermijndenken en hun betrouwbare imago.

Veel familiebedrijven maken weinig tot geen gebruik van het feit dat zij familiebedrijf zijn in hun advertentiematerialen, bedrijfswagens, briefpapier en websites. Slechts 8,5 procent van de familiebedrijven gebruikt dit in hoge mate en driekwart niet of nauwelijks. Het devies van het rapport is juist het goede imago in te zetten. Het kan zeer rendabel zijn om de familie-gebaseerde merkidentiteit (family brand identity) te benutten.

Bron: Fambizz, www.fambizz.nl, 25 januari 2017